• LOGIN
  • Geen producten in je winkelmand.

Het grote plaatje van Stephen Baxter en Alastair Reynolds

Er is een stripje van Calvin & Hobbes waarin de zesjarige hoofdpersoon in de klas zijn vinger in de lucht steekt. ‘Miss wormwood, ik heb een vraag over deze wiskundeles. Aangezien we toch allemaal dood gaan, waarom moeten we dan eigenlijk leren over cijfers?’ De juf negeert hem en laat de klas naar pagina 83 bladeren. Calvin leunt teleurgesteld op zijn bureau en verzucht: ‘Niemand houdt van mensen die nadenken over het grote plaatje.’

Dode sterren

Ik moest aan dit citaat denken omdat sciencefiction ook vaak om het grote plaatje draait. Bijvoorbeeld de verhalen van Britse sf-schrijver Stephen Baxter. Baxter doceerde wiskunde, natuurkunde en informatietechnologie voor hij zich in 1995 volledig op het schrijven kon richten. In recensies wordt hij vaak de ‘opvolger van Arthur C. Clarke’ genoemd. Hij heeft ook daadwerkelijk met Clarke aan sf-boeken samengewerkt. Zijn verhalen worden gekenmerkt door een degelijke wetenschappelijke onderbouwing. Zijn karakters zijn soms wat vlak en lijken soms vooral te dienen om uitleg te kunnen geven over de thematiek. Ze vallen sowieso in het niet bij de ideeën die Baxter uitwerkt. Vaak kiest hij voor plots die een groot deel van het heelal bestrijken, in de ruimte, maar met name in de tijd. Zijn boeken gaan soms terug tot de oerknal en vooruit tot het absolute einde.

Titan – Stephen Baxter

Nu ben ik groot liefhebber van het type sciencefiction dat Clarke en Isaac Asimov schreven en hou ik van het tot het uiterste doordenken van de wetenschappelijke mogelijkheden. Toch lieten de verhalen van Baxter me vaak met een kater achter. In periodes dat ik toch al last had van depressieve gedachten, werd ik er echt somber van. Daarom kon ik er ook niet meerdere achter elkaar lezen. Baxters’ boeken voeren vaak tot een somber einde. Een voorbeeld is zijn boek Time, waarin wetenschappers een soort blauwe poort in de ruimte ontdekken, die vanuit de extreem verre toekomst lijkt te komen. Een intelligente inktvis (een van de leuke elementen van dit boek) gaat door de poort en reist met grote sprongen vooruit door de tijd. Eerst doven de sterren en blijven er alleen zwarte gaten over. Dan verdampen de zwarte gaten. Uiteindelijk behoren ook die tot het verre verleden, een korte opleving van zwaartekrachtsfenomenen na de ‘big bang’. Tegen die tijd vallen zelfs subatomaire deeltjes uiteen. Niks blijft over. Tegen die achtergrond vallen alle menselijke prestaties in het niet. Geen enkele inspanning kan dit lot tegengaan en zelfs de herinnering aan het bestaan van intelligentie gaat verloren. Het ultieme grote plaatje.

Baxters beeld van de mens is ook niet echt positief. De mensheid is het toevallige resultaat van evolutie en kan ook zo weer verdwijnen. Door eigen toedoen ook nog eens. In zijn boek Titan bijvoorbeeld, doen mensen een meteoor op Aarde inslaan die al het leven uitroeit. De laatste overlevenden bevinden zich op Titan. Hen is geen lang leven beschoren, want hun basis is niet op een lang verblijf berekend. Ze worden ziek en gaan dood. In de verre toekomst worden twee van hen uit de dood opgewekt door de nieuwe bewoners van de Saturnusmaan. Ze sturen wel ruimteschepen met leven het heelal in, maar alleen microscopische levensvormen kunnen de reis overleven. Zowel de mens als de Titanbewoners zijn gedoemd uit te sterven. Geen inspirerend vooruitzicht.

Soms komen intelligenties in zijn verhalen tot een oplossing. In The Time Ships bijvoorbeeld reizen robots uit de verre toekomst terug naar de oerknal, veranderen enkele parameters en zorgen voor het ontstaan van talloze nieuwe universa, waarin intelligentie kan blijven voortbestaan. Hetzelfde doen de Xeelee, het buitenaardse ras in een serie verhalen van Baxter. Ikzelf vond dit niet een heel hoopvol scenario, want het lot van intelligent leven blijft beperkt tot het materiële universum en dat heeft een beperkte houdbaarheidsdatum.

Vensterloze ruimten

De Britse schrijver G.K. Chesterton schreef ooit over het wereldbeeld van het materialisme: ‘Hun universum was uitgestrekt, maar onvrij: men betrad grotere en grotere vensterloze ruimten, kamers met Babylonische perspectieven; maar men kon nog niet het kleinste raam, of een fluistering van de buitenlucht ontdekken.’ Dit is het gevoel dat de verhalen van Baxter bij me opwekken. Geen wonder dat zijn karakters snel plat overkomen, alsof ze slechts figuranten zijn in de geschiedenis. Ze kunnen geen rol van betekenis spelen, omdat niemand in dit universum een blijvende betekenis kan hebben. Het is een verfrissend gezichtspunt, en het relativeert veel van onze menselijke obsessies. Het is – in elk geval uit wetenschappelijk oogpunt – ook heel aannemelijk. Maar zinloosheid helpt niet bij het vertellen van een goed verhaal. Goede verhalen draaien er juist om dat wat de hoofdpersonen doen er werkelijk toe doet.

Is dat wel mogelijk in een materialistisch wereldbeeld? Chesterton zegt van niet en stelt dat er ruimte moet zijn voor mystiek, voor een terrein dat niet beredeneerd kan worden. Hij vindt die ruimte in het christelijke geloof. Maar je hoeft niet eens op religie terug te grijpen. de moderne natuurkunde en kosmologie maken ook andere benaderingen mogelijk van onze werkelijkheid. Zo suggereert de quantummechanica dat -in elk geval op heel kleine schaal- de waarnemer invloed heeft op het gedrag van deeltjes. Zelfs achteraf!

In The Goldilocks Enigma suggereert Paul Davies dat hetzelfde op grote schaal moet plaatsvinden en dat het heelal alleen bestaat omdat het wordt waargenomen (bijvoorbeeld door intelligenties in de verre toekomst). Dit hangt samen met theorieën uit de kosmologie die het heelal beschrijven als bestaande uit informatie. Zo stelt één theorie dat onze driedimensionale werkelijkheid kan worden verklaard als hologram, op basis van informatie op een tweedimensionaal oppervlak. Nog verder gaan filosofen die de vraag stellen of we in een computersimulatie leven. Geen van deze theorieën valt echt hard te maken, omdat onze waarneming nu eenmaal aan ruimte en tijd gebonden is, maar dat deze speculaties mogelijk zijn, suggereert dat sf-schrijvers wel degelijk verhalen kunnen schrijven die ertoe doen.

Onontdekte geheimen

The Medusa Chronicles – Baxter & Reynolds

Een voorbeeld geven de boeken van Alastair Reynolds, naast Baxter een van mijn favoriete hedendaagse auteurs. Net als Baxter is hij een Engelsman. Hij is ook wetenschapper en heeft in Nederland gewerkt bij de European Space Agency. Ook hij is fan van Arthur C. Clarke en Baxter en hij hebben samen een vervolg geschreven op een novelle van Clarke: The Medusa Chronicles, een van mijn favoriete sf-boeken van de laatste tijd, waarin onder andere mensen afdalen in de atmosfeer van Jupiter. Net als Baxter kiest hij vaak voor een groot perspectief en ruimte en tijd overspannende verhalen. Maar anders dan bij Baxter laten zijn verhalen me niet in een mineurstemming achter. Niet het gevoel van zinloosheid overheerst. In het derde deel van de serie Poseidon’s Children getiteld Poseidon’s Wake komen de hoofdpersonen terecht op een oceaanplaneet, waar een buitenaardse beschaving bizarre artefacten heeft achtergelaten: enorme wielen, zo groot dat de bovenkant ervan boven de atmosfeer uitkomt. De wielen zijn beschreven met informatie – informatie die mogelijk het geheim bevat om in de quantumrealiteit door te dringen, ‘onder de vloerpanelen van het universum’ en zo het ineenstorten van het tijdruimtecontinuüm te overleven.

Het korte verhaal Sleepover in de bundel Beyond the Aquila Rift gaat over een zieke man die zich ooit heeft laten invriezen. Als hij wakker wordt gemaakt blijkt dat bijna alle mensen zijn ingevroren, op een paar na die de installaties bewaken. Als hij ontdekt waarom dat zo is, dat het te maken heeft met de natuur van de werkelijkheid, verliest hij niet zijn gevoel van betekenis, maar vindt hij die juist terug. De verhalen van Reynolds laten me niet achter met het idee dat de avonturen van de hoofdpersonen er niet toe doen (en dus dat mijn leven er ook niet toe doet). Hij suggereert dat er buiten de materiële werkelijkheid nog terreinen te ontdekken zijn, gebieden waar we nu niet van afweten. Zijn heelal heeft ramen naar buiten, om in de beeldspraak van Chesterton te blijven.

Wil je zelf sf-verhalen schrijven, dan is het goed van te voren te bepalen op welk wereldbeeld je jouw verhalen wilt baseren en wat daarvan de ultieme consequenties zijn. Dan weet je ook welke reactie je verhalen bij de lezer oproepen. Ik denk namelijk dat we allebei de perspectieven nodig hebben. Die van Baxter om niet naast onze schoenen te gaan lopen – we stellen in dit enorme universum nu eenmaal weinig voor, eindige wezens die we zijn. Die van Reynolds om wel te blijven lopen – want er is wel degelijk een doel dat we kunnen bereiken.

0 reacties op "Het grote plaatje van Stephen Baxter en Alastair Reynolds"

Laat een bericht achter

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

© 2018 - Fantasy-Schrijven, onderdeel van Schrijversmarkt.
X