Schrijftips voor korte verhalen #2

Schrijfwedstrijden zijn een goede oefening om je vaardigheden te ontwikkelen. Ook geeft het een goede stok achter de deur om verhalen af te ronden. Of het nou gaat om een kort verhaal of een compleet manuscript, je leert altijd wel wat. Recentelijk kondigde uitgeverij Luitingh-Sijthoff samen met fantasy evenement Castlefest een korte verhalenwedstrijd aan (inleverdatum 21 juni!), maar op deze pagina zie je nog veel meer wedstrijden die momenteel lopen. Onze docenten geven de komende tijd wat tips voor het schrijven van korte verhalen. Veel succes!

 

Josephine Schoon

Josephine Schoon beoordeelt voor Fantasy schrijven ingestuurde verhalen en voorziet deze van waardevol commentaar. Bovendien biedt ze verschillende diensten aan, zoals redactie en een quickscan.

Het is niet makkelijk om algemene én originele schrijftips te geven voor aankomende auteurs. Als redacteur heb ik altijd specifieke tips en aanmerkingen per manuscript dat ik voor me krijg, en als ik schrijvers in het algemeen adviezen moet geven kom ik toch meestal uit op tips die iedereen al wel een keer gehoord heeft. Bijvoorbeeld: “schrijf niet wat je wil schrijven, maar wat je zou willen lezen”, “gebruik de show, don’t tell methode zo veel mogelijk” en “voorkom herhaling van informatie en overbodige uitleg”. Dit zijn allemaal goede adviezen, maar vaak hebben beginnende schrijvers behoefte aan meer concrete tips en voorbeelden. Dus dat ga ik nu proberen.

  1. Begin bij het begin: Het programma Microsoft Word is niet het ideale programma om een verhaal mee te schrijven. Ik zou Scrivener aanraden, makkelijk te downloaden en veilig (bekijk ons artikel over 5 softwareprogramma’s voor schrijvers). Het is even wennen als je van Word komt, maar het maakt alles zo veel makkelijker daarna. Je houdt alle informatie (zelfs wat niet in je manuscript zelf komt te staan) bij elkaar om op elk moment te raadplegen. Zo verlies je nooit de rode draad van je verhaal, of de eigenschappen van je personages. Je kan ook een target instellen voor het aantal woorden dat je per dag/weekend of week moet schrijven om tot het einde van het boek te komen. Erg handig.
  2. Begin met een rode draad of samenvatting te maken. Wat wil je met dit verhaal vertellen? Wat is jouw boodschap aan de lezer? En hoe ga je dit het beste vertellen? Voordat je het eerste woord van je manuscript op papier zet moet je weten hoe je verhaal eindigt. Hou altijd in de gaten waar je heen moet en verlies dat niet uit het oog. Ga niet zomaar beginnen met een scène en zie maar waar je uitkomt. verhalen die zo worden geschreven missen samenhang, missen een doel, of blijven maar doorgaan tot je een serie van 10 of meer delen hebt. Dan haken lezers snel af, dus pas daarmee op. Kortom: ga methodisch/structureel te werk om het overzicht te houden en voorkom dat je als schrijver zelf verdwaalt in je eigen verhaal/wereld.
  3. Stijl: Show, don’t tell. Laat zien wat er gebeurt, blijf zo veel mogelijk in het ‘nu’. Kijk goed naar je personage en schrijf op wat hij of zij meemaakt en hoe diegene reageert in situaties, in plaats van dat je vertelt wat er gebeurt. (Dit kan trouwens ook in derde persoon, eerste persoon is niet perse nodig.) Beschrijf hoe iemand reageert op anderen, hoe hij of zij communiceert, welke lichaamshouding hij of zij aanneemt of welke gedachten er door zijn of haar hoofd gaan. Schrijf dus niet: “Hij was zenuwachtig.” maar bijvoorbeeld: “Hij keek schichtig om zich heen terwijl hij krampachtig in zijn handen wreef.” Je plaatst de lezer in het verhaal, hij of zij ziet meteen voor zich hoe iemand daar staat, terwijl “hij was zenuwachtig” veel onpersoonlijker is: je ‘distantieert’ je lezer van je personage door te vertellen hoe hij zich voelt, in plaats van dat de lezer zelf ‘ziet’ en uitvogelt dat hij onzeker is. Probeer ook niet te veel uit te leggen wat er ‘hiervoor’ allemaal gebeurd is, blijf zoveel mogelijk in het hier en nu. Alleen als iets cruciaal is voor het plot moet je het ‘vertellen’.
  4. Bij een kort verhaal is het essentieel om zo veel mogelijk te laten zien met zo min mogelijk woorden, en een ‘voltooid’ verhaal te schrijven. Zorg dat je een korte tijdspan neemt waarin het verhaal zich afspeelt, en dat er weinig achtergrondinformatie nodig is om je lezers mee te trekken in de scènes. Het kan moeilijk zijn om een voltooid verhaal af te leveren als je met weinig tekst moet werken, maar probeer er toch naar te streven. Als een einde te ‘open’ is kan dat de lezer irriteren, zorg liever toch voor een soort afsluiting.
Josephine Schoon schrijft al jaren zelf fantasy en soortgelijke verhalen, en hielp andere auteurs als redacteur voor haar eigen plezier. In 2017 behaalde ze haar Masterdiploma in Boekwetenschap en Handschriftenkunde bij de UvA. Ze ging stage lopen en in dienst bij een uitgeverij in Amsterdam en werkt sinds kort als freelance redacteur. Ze leest/redigeert zowel Nederlands- en Engelstalige verhalen.

 

Edith Eri Louw

Met de Basiscursus fantasy schrijven en de gratis Basiscursus schrijftechnieken heeft Edith twee cursussen voor Fantasy schrijven live staan. Hierin neemt ze haar cursisten mee in de begrippen, technieken en vaardigheden die je nodig hebt om fantasy te schrijven. Van algemene zaken tot specifieke regels, valkuilen en ambachtelijke handigheidjes die nodig zijn bij het schrijven van genrefictie.

Perspectief: Elke verhaal kan op veel verschillende manieren verteld worden. Vraag je steeds af: WAT wil ik precies vertellen, wat is de kern van dit verhaal. Het perspectief dat je kiest bepaalt voor een deel hoe je vertelling over komt. Als je voor een ik-figuur kiest, betekent dat dat je alleen via die ene persoon kunt vertellen. Geen enkele gedachte van een ander kun je laten horen. Tenzij je ik-figuur telepathisch is natuurlijk. Of een breinleesmachine heeft uitgevonden. Ook kun je geen gebeurtenissen beschrijven waar die ik-figuur geen weet van heeft. Bij een hij/zij perspectief kun je kiezen om steeds de focus te houden bij 1 persoon, wat min of meer dezelfde gevolgen heeft als wanneer je een ik-figuur gebruikt. Bij een meervoudig perspectief wissel je tussen personages en kun je een groter geheel laten zien. Wat past bij jouw verhaal?

Naamgeving: What’s in a name? Nou, heel wat. De namen die je voor je personages kiest kunnen aardig invloed hebben op je verhaal. Een tovenaar die Klaas van der Duim heet geeft toch een heel ander eerste beeld dan een Mixantos Dervino? En een heldin die Precious heet voelt anders dan Greet of Emma. Maar er is nog een belangrijke regel betreffende naamgeving: benoem alleen de karakters die ook echt een rol spelen in je verhaal. In de regel hoeft iemand die maar in één of een paar regels voorkomt en verder niet meer genoemd wordt, geen naam de hebben. Dan kun je volstaan met een omschrijving als “de tegelzetter” of “de lange vrouw”. Sommige schrijvers kiezen er zelfs voor in een heel boek niemand een naam te geven. De weg van Cormac McCarthy is daar een mooi voorbeeld van. Het artikel Heren der Duisternis heten zelden Jan-Willem van Tais Teng geeft wat meer informatie over namen van je personages.

Edith Eri Louw werkt als schrijfcoach en is hoofdredacteur voor het tijdschrift VrijRuiter. Ze is auteur van Ravens Imperium en De Bron, die respectievelijk bij Uitgeverij In de knipscheer en Boekerij uitkwamen. De laatste jaren zit ze regelmatig in de jury van schrijfwedstrijden in het genre, zoals de Harland Awards en Trek Sagae.

 

Eisso Post

In de cursus Leren van het oerverhaal van Eisso Post verdiep je je in alle aspecten van het oerverhaal. Met praktische opdrachten leer je welke elementen je kunt gebruiken voor je eigen verhalen.

Bedenk dat je een kort verhaal schrijft, geen roman. Hou alles relatief klein en simpel; voor het bouwen van een hele wereld is dit project minder geschikt. Maak de omgeving liever herkenbaar: het kan onze wereld zijn, eventueel een oudere versie ervan, of desnoods die van de Sprookjes van Grimm of 1001 Nacht. (Behalve als je de lezer expres wilt verwarren, dan heb je alle vrijheid.)

Vermijd het thema van een Goede en een Boze macht die elkaar gewapenderhand bestrijden. Het wordt toch al veel misbruikt, ook in romans. Een kort verhaal zal met dit onderwerp helemaal snel dichtslibben.

Sprookjes en sagen vormen heel zinvolle voorbeelden voor korte fantasyverhalen. De motieven, maar vooral de geheimzinnigheid. Dwergen duiken op, vervullen een wens of juist niet en verdwijnen weer. Dankbare dieren helpen de held zonder verdere uitleg. Wie ’s nachts ronddwaalt komt spookachtige wezens tegen. Soms als straf, soms om onduidelijke redenen. Enzovoorts. In een verhaal kun je die geheimzinnigheid beter handhaven dan in een roman, waar de lezer vroeg of laat een verklaring verwacht. Wel zal het aan jouw vaardigheid en fingerspitzengefühl liggen of duidelijk wordt dat dat raadselachtige opzet is, en geen slordigheid van jouw kant. Succes!

Met een studie Algemene Literatuur Wetenschap en een eerstegraads lesbevoegdheid Nederlands had Eisso Post een basis gekregen, maar voor het beoordelen van proza leer je toch verreweg het meeste in de praktijk. Hij geeft nu al meer dan 20 jaar cursussen en workshops over het schrijven in je eigen stijl, korte verhalen en fantasy. Ook heeft hij verschillende publicaties op zijn naam staan, zoals De Nutvolle Pikku en Schrijven met het oerverhaal, wat de basis vormde voor xijn online cursus Leren van het oerverhaal.

0 reacties op "Schrijftips voor korte verhalen #2"

Laat een bericht achter

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

© 2019 - Fantasy schrijven, onderdeel van Schrijversmarkt.